PRI, leven vanuit liefde, compassie en verbinding

PRI en Opvoeden

Krassen op de hormoonspiegel

Foto intro van Krassen op de hormoonspiegel

Seksueel misbruik en ernstige mishandeling op jonge leeftijd laten hun sporen achter, niet alleen op de ziel maar ook fysiek, in de hersenen. Zo’n verandering in de hersenen resulteert in een verstoorde hormoonbalans die op oudere leeftijd, zelfs dertig tot veertig jaar later, te traceren is door tijdens een speciale proef de concentratie van enkele specifieke hormonen in het bloed te bepalen.

Een artikel uit de Volkskrant van Broer Scholtens in de bijlage 'Gezond' van zaterdag 25 mei 2002.

 

Er bestaat een zogeheten ‘biomarker’ van herhaalde traumatische gebeurtenissen op jonge leeftijd. Deze opmerkelijke conclusie, trekt drs. Thomas Rinne op basis van onderzoek onder veertig borderline- patiënten. De psychiater promoveert dinsdag aan de Universiteit van Amsterdam (UvA).

Een borderline- patiënt kan bij een geringe aanleiding heftig emotioneel reageren. In Nederland zijn er naar schatting 150.000 borderline- patiënten. Zij kunnen hun stemming moeilijk regelen. Ze zijn het ene moment vrolijk, dan weer somber, angstig of geïrriteerd. Stemmingswisselingen, zegt Rinne, die vaak eindigen in een depressie.

Het impulsieve en soms ook agressieve gedrag dat ze kunnen vertonen, geeft ondermeer problemen in relaties. Ook hebben ze vaak emotionele botsingen op het werk. Ze zeggen plotseling hun baan op of verbreken hun relatie. Veel borderline- patiënten hebben een impulsief eetgedrag. Het zijn vaak zwart/witdenkers, zegt Rinne. Ze worden meestal behandeld met een combinatie van medicatie en psychotherapie. Het borderline- syndroom, dat mede door genetische factoren wordt bepaald, is in feite een verzamelnaam voor een breed scala van symptomen. Er zijn grote onderlinge verschillen in gedrag van patiënten. Een van de kenmerken is dat ze vaak niet adequaat reageren op stress.

Naar schatting twintig tot zeventig procent (verschillende onderzoeken geven een ander percentage) van de borderline- patiënten zijn in hun jeugd getraumatiseerd geweest. Dat heeft volgens Rinne geleid tot een gestoorde ontwikkeling van de hersenen en van de organen die bepaalde hormonen produceren.
Komen mensen onder stress te staan dan reageert het lichaam daar onder meer op door de productie van een aantal stresshormonen. Drie organen, de hypothalamus, de hypofyse en de bijnier, zijn daarvoor verantwoordelijk.
Een gezonde reactie is een evenwichtige productie van hormonen, niet teveel en niet te weinig van elk. Bij een getraumatiseerde borderline- patiënt, met een verstoorde ontwikkeling van de hormooncentra in de hersenen, is de hormoonproductie niet meer in balans.

Cortisol is één van de hormonen die in de bijnier wordt geproduceerd bij een stressreactie. Dit hormoon voorkomt een overreactie van het lichaam, Het is feitelijk een natuurlijke rem die moet voorkomen dat de stressreactie uit de hand loopt. Een ander hormoon dat een rol speelt bij stressreacties is prolactine. De functie daarvan is minder duidelijk dan die van cortisol. Rinne heeft geprobeerd aan de hand van metingen van de concentratie cortisol en prolactine uit te zoeken hoe bij stress de hormoonproductie bij borderline- patiënten, al dan niet getraumatiseerd, is verstoord. Hij deed dat bij 39 vrouwen die onder behandeling waren bij de psychiatrische instelling De Geestgronden in Bennebroek. Een groot deel van hen is op jeugdige leeftijd langdurig mishandeld of seksueel misbruikt.

De proefpersonen zijn geselecteerd aan de hand van vragenlijsten en uitvoerige gesprekken. Ter controle onderzocht Rinne ook een groep gezonde mensen. Beide groepen werden onderworpen aan kunstmatig geïnduceerde stress door middel van het toedienen van een bepaald medicijn.
Bij de chronisch getraumatiseerde borderline- patiënten werd direct na de stressinductie een verhoogde concentratie cortisol gemeten. Terwijl bij niet getraumatiseerde proefpersonen met het borderline- syndroom en bij de gezonde personen nauwelijks een verandering van de cortisol concentratie werd gemeten.

Foto uit het artikel Ook reageert de prolactine concentratie bij getraumatiseerde borderline- patiënten anders op stress dan bij niet-getraumatiseerde en de gezonde controlepersonen. Er bleek een samen hang tussen de snelle verandering in de prolactine concentratie en de heftigheid van de traumatische gebeurtenis, de frequentie en de leeftijd waarop de patiënten in hun jeugd er voor het eerst mee te maken kregen.

Rinne: ‘Een uitzonderlijk hoge correlatie. Dat wijst op het bestaan van een biologische marker van zo’n jeugdig trauma, bij borderline- patiënten, maar vermoedelijk ook bij gezonde mensen die in hun jeugd langdurig misbruikt of mishandeld zijn geweest. Er is geen reden om aan te nemen dat dit bij hen anders zou liggen. Een schokkende constatering.’

Er is dus achteraf aan de hand van biologische, objectief te meten waarden vast te stellen of iemand op jeugdige leeftijd is mishandeld of seksueel misbruikt? Het lijkt erop, stelt Rinne: Als het bestaan van zo’n chronische jeugdtrauma wordt vermoed, zou een hormoononderzoek dit vermoeden kunnen ondersteunen. Die verstoorde prolactine respons hangt per slot van rekening samen met die traumatische gebeurtenissen en niet met het borderline- syndroom.’
Enige voorzichtigheid is geboden, waarschuwt Rinne. De betrouwbaarheid moet eerst nog verder worden onderzocht bij gezonde mensen die in hun jeugd zijn getraumatiseerd. En dan niet alleen bij vrouwen, zoals nu is gebeurd, maar ook bij mannen. Ook zij kunnen in hun jeugd te maken krijgen met traumatische gebeurtenissen die een litteken achterlaten. Dit is vaak nog een taboe. Er zijn overigens geen concrete plannen voor dit onderzoek.’

In eerste instantie is vroegtijdige herkenning van seksueel misbruik of van lichamelijke mishandeling bij kinderen belangrijk, vindt Rinne. Een zo vroeg mogelijke therapie kan misschien de ontwikkelingsschade aan de hersenen beperken, en daarmee een verstoring van de hormoonsystemen. ‘Dat zou de kans kunnen reduceren dat zich bij iemand met aanleg een borderline- syndroom ontwikkelt. Littekens op de ziel verdwijnen er niet mee, maar schade aan het brein kan er mogelijk door worden beperkt. Hierdoor ondervindt de patiënt later minder ellende, en op lange termijn zullen de kosten voor de gezondheidszorg lager zijn.’