PRI, vivre inspiré par l’amour, la compassion et en connexion

PRI et l'éducation des enfants

Toverballen voor elk gemoed

Foto artikel

Ook wie maar een beetje depressief of hyperactief is, kan nu een pil krijgen. Alles wat afwijkt, dreigt te worden gemedicaliseerd, waarschuwt de medisch historicus.
door Maarten Evenblij

Een artikel uit de Volkskrant van Broer Scholtens in de bijlage 'Gezond' van zaterdag 1 juni 2002.

De grens tussen ziek en gezond vervaagt. Deze conclusie van prof. dr. Toine Pieters is niet nieuw. De medisch historicus, die verbonden is aan de Vrije Universiteit Amsterdam en de Rijksuniversiteit Groningen, waarschuwt echter voor een veronachtzaming van die vervaging. Een analyse van recente introducties van medicijnen om de geest te beïnvloeden nopen tot een open debat over de wenselijkheid van het ingrijpen met geneesmiddelen in de psyche, meent hij.
Pieters komt tot die conclusie na een studie van Prozac (tegen depressie) en Ritalin (tegen hyperactiviteit) die hij uitvoerde voor het Rathenau Instituut, ‘Ik heb geen mening over de vraag of een toenemende beïnvloeding van ons gedrag wenselijk is of niet. Ik constateer wel dat besluitvormers zich onvoldoende realiseren tot welke consequenties de huidige ontwikkelingen kunnen leiden.’

Wie scenario’s voor de toekomst wil maken, moet het verleden bekijken, stelt Pieters. Daaruit blijkt dat medische ontwikkelingen zich tot nu toe slecht hebben laten sturen.
Toen Prozac, het medicijn tegen depressie van Eli Lilly, in 1985 op de markt kwam, was het een middel voor louter zeer zwaar depressieve patiënten. Mensen voor wie geen uitweg was. Maar allengs werd de indicatiestelling verruimd. Ook personen met mildere depressies en angst- en paniekstoornissen zouden er baat bij hebben. Nu schrijven artsen Prozac en zijn broertjes en zusjes SSRI’s (Selective Serotonine Reuptake Inhibitors) ook voor aan personen die ‘in een dipje’ zitten.
Een vergelijkbare weg volgde Ritalin. Aanvankelijk was het medicijn voorbehouden aan alleen zeer moeilijke hyperactieve kinderen met ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder). Pieters: ‘Nu krijgen ook gewoon drukke kinderen het en wordt het zelfs gebruikt om de cognitieve prestaties te verbeteren. Studenten slikken het om voor hun tentamens te kunnen slagen. Ritalin is er dus niet meer alleen voor zieke kinderen, maar om de prestaties van gezonde mensen te verbeteren.’
Als we niets doen, zullen meer van dergelijke medicijnen Nederland overspoelen, voorspelt Pieters. Het erectie verhogende Viagra is een ander voorbeeld. Dat heeft het in sommige kringen zelfs tot party drug geschopt. Ook zijn er agressie onderdrukkende middelen in ontwikkeling die nu nog bedoeld zijn voor mensen met een sterk antisociaal gedrag, maar - de geschiedenis doortrekkend - ongetwijfeld ook voorgeschreven zullen gaan worden om mildere gedragsafwijkingen bij te sturen in de richting van de norm.

‘Geweldig dat de kwaliteit van deze medicijnen zo is verbeterd en de bijwerkingen zo gering zijn dat ze als een aspirientje genomen kunnen worden’, meent Pieters. ‘Maar wat zijn de consequenties van die laagdrempelige medicalisering van het gemoed? We weten praktisch niet wat het langetermijneffect is van een chronisch gebruik van Prozac, Ritalin of anti- agressiepillen. Wat doen ze bijvoorbeeld op de zich ontwikkelende hersenen van kinderen? Bovendien heeft een aantal middelen verslavende trekjes.’
Maar belangrijker is de vraag of we de psyche wel op zulke schaal willen kunnen beïnvloeden, meent Pieters. Want dit zou kunnen leiden tot een samenleving waarin ‘gewoon’ niet meer genoeg is, variaties als afwijkend worden beschouwd en natuurlijke’ eigenschappen moeten worden verbeterd. ‘We sturen onherroepelijk in die richting.’

Een belangrijke motor daarachter zijn hoop en belofte. Hoop en belofte op een samenleving zonder ziekte - overigens ooit ook gedaan bij de introductie van penicilline. Ze worden geventileerd door wetenschappers die hun onderzoek gefinancierd moeten zien te krijgen en door farmaceutische industrieën die hun pillen moe ten verkopen. Hoop en belofte die vervolgens worden uitvergroot door de media. Patiënten zijn ook mondiger geworden, hebben meer toe gang tot medische informatie en vragen om een bepaalde behandeling. Soms eisen ze die zelfs.
Daarnaast werkt een toenemend gebruik van protocollen in de gezondheidszorg het geven van pillen in de hand. De internationale standaard voor psychische aandoeningen — de zogeheten DSM IV bijvoorbeeld — rubriceert symptomen tot aandoeningen die op eenvoudige wijze gekoppeld kunnen worden aan een medicijn. Zo is er snel een pasklaar antwoord.
Pieters: ‘Mede door de bezuinigingen in de zorg, waardoor artsen nog maar weinig tijd hebben en verzekeraars via hun vergoeding een sterke invloed uitoefenen op de behandeling, is een pil tegen een symptoom sneller voorgeschreven dan een gesprek over of een behandeling van een onderliggende oorzaak,’ Terwijl de medische keuzemogelijkheden zijn toegenomen, worden patiënten toch meer in een keurs lijf gedwongen.

‘Medicijnen kunnen uitstekend helpen om een vicieuze cirkel te doorbreken. Vervolgens moet je echter wel via (psycho)therapie werken aan eventuele oorzaken en aan het vergroten van iemands draagkracht.’
Ook in het onderwijs hebben bezuinigingen en een andere opvatting over de plaats van ‘achterblijvertjes’ de druk op ouders verhoogd om ‘lastige’ kinderen rustig te houden met pillen. Scholen voor ‘moeilijke kinderen’ zijn immers gedecimeerd en druktemakers dienen zich nu koest te houden tussen de leerlingen van het gewone onderwijs. En Ritalin gééft rust. Pieters:
‘Ik weet niet of dat op lange termijn goed is. Ritalin ontneemt kinderen de mogelijkheid zich te oefenen in het oplossen van problemen.’
Pieters vindt het goed dat het taboe op psychische aandoeningen is doorbroken, maar ziet als keerzijde daarvan dat alledaagse levensproblemen en ongemakken worden ‘gepsychiatriseerd’, en waarvoor een pil vervolgens de oplossing is. ‘Het kan betekenen dat er meer eisen aan werknemers gesteld zullen worden. Als je depressie, wellicht veroorzaakt door stress, met een pil kunt verhelpen, hoef je immers niet thuis te blijven. En als je straks, met behulp van genetische kennis, iemands stressbestendigheid kunt verhogen, diens hoogtevrees kunt verminderen, diens uithoudingsvermogen kunt vergroten of diens agressie kunt onderdrukken, creëer je ideale werknemers.’

Het is te gemakkelijk om de industrie de schuld te geven van het ‘toverballenparadijs’, vindt Pieters. Hij ziet vooral de verregaande commercialisering van het wetenschappelijk onderzoek aan universiteiten en ziekenhuizen en de bezuinigingen als boosdoener. ‘Doordat onderzoekers afhankelijk geworden zijn van industriële fondsen is de overtrokken notie ontstaan dat alle ziekten, kwalen en ongemakken zijn op te lossen met medicijnen.’