PRI, leben aus Liebe, Mitgefühl und Verbundenheit

PRI und Erziehen

Babybrein groeit door moederliefde

Krantenfoto Babybrein groeit door liefdeKinderen met zorgzame ouders groeien vaak op tot gelukkige, gezonde volwassenen. En dat komt niet alleen doordat ze minder reden hebben om zich ongelukkig te voelen: dankzij die ouderliefde krijgen hersenen wel de goede bekabeling.

Een artikel uit Intermediair 13 van Simone de Schipper 'wetenschap & techniek' van 28 maart 2002

Wel crèche, geen crèche, slecht voor de emotionele ontwikkeling, goed voor het leren omgaan met anderen - het debat is weer geopend. Maatschappelijke en wetenschappelijke argumenten tuimelen over elkaar heen, aangedreven door emancipatoire overtuigingen, persoonlijke ambities en knagende schuldgevoelens tegenover het uitbestede kroost. Een grootschalig onderzoek naar het effect van de Nederlandse kinderopvang op de ontwikkeling van de kinderen, dat staatssecretaris Vliegenthart in de Tweede Kamer heeft toegezegd, is dus inderdaad geen gek idee.
Dat de discussie weer is opgelaaid, heeft deels te maken met een recente stroom hersenonderzoeken. Freud wist al dat de optelsom van ervaringen de persoonlijkheid beïnvloedt - van het lachen met de moeder en het zorgeloos schommelen tot het verdwalen bij V&D en ruziënde ouders. Die beïnvloeding verloopt via de hersenen, weet men nu. Groot en klein kinderleed en -plezier sturen de ontwikkeling van het hersennetwerk. Hetzelfde netwerk dat gedrag, emoties en intellectuele vermogens kanaliseert.

Het leeuwendeel van dit hersenonderzoek gebeurt aan knaagdieren. Waarom knaagdieren? Ratten hebben toch geen crèche, vader, vaderfiguur of oma die de zorg van de uithuizige moeder overneemt? En een muizenleven lijkt al evenmin op dat van een mens. Toch zijn het geschikte proefdieren, omdat hun erfelijk materiaal, hun brein en zelfs hun gedrag sterke overeenkomsten vertonen met die van de mens.
Wetenschappers, ook in Nederland, hebben bijvoorbeeld al veel opgehelderd over de effecten van stress en moederliefde op het lichamelijke stresssysteem van jonge ratten. Regelmatig weghalen bij de moeder en andere vervelende gebeurtenissen verhogen de hoeveelheid stress hormonen in het bloed. Gebeurt dit te vaak of te lang, dan wordt het stresssysteem blijvend anders afgesteld (in ernstige gevallen regelrecht chronisch ontregeld). Deze ratten gedragen zich angstig, reageren heftig op stressvolle gebeurtenissen, leren moeilijker en vertonen allerlei afwijkingen.
Vele onderzoeken tonen aan dat ook mensenkinderen met een problematische jeugd in hun latere leven vaker deze eigenschappen vertonen en vaker crimineel of verslaafd zijn. Ze zijn lichamelijk en geestelijk minder gezond - al gaat dit alles natuurlijk over gemiddelden. Maar het gaat nadrukkelijk niet alleen vaak fout met kinderen die mishandeld zijn of andere traumatische ervaringen hebben opgedaan; ook afwezigheid van ouderlijke warmte, betrokkenheid en steun kan zich wreken.
Ook al mag je gezien de verschillen tussen mens en knaagdier zoiets als het scheiden van de moederrat en pup dus niet vertalen naar bijvoorbeeld crèchebezoek, de gevonden onderliggende mechanismen zijn wel degelijk relevant.

Prettige gevoelens
Onderzoekers graven intussen verder naar de gevolgen van stress, moederzorg en stimulerende omgevingen, in al hun variaties, gradaties en combinaties. Op een groot neuronwetenschappelijk congres, eind vorig jaar in het Californische San Diego, rapporteerden honderden onderzoekers hun bevindingen op dit gebied.
Wayne Brake van de University of Califomia in Santa Barbara en Bruce McEwen van de New Yorkse Rockefeller University vertelden over een mechanisme dat ze op het spoor waren gekomen, en dat een nieuwe wending geeft aan het bekende nature-nurture-debat: ligt het aan de genen of aan de opvoeding?
Om effect te hebben, moeten genen worden afgelezen en vertaald in werkzame eiwitten. Het bleek dat groepen genen die belangrijk zijn voor de hersenontwikkeling, anders werden afgelezen in de muizen die minder moederzorg ontvingen. Deze dieren waren in de eerste weken van hun leven dagelijks drie uur van hun moeder gescheiden.
Een groep genen die zorgt dat de hersencellen contact leggen met elkaar, werd twee tot drie keer minder afgelezen. Brake: ‘Dat suggereert dat het dagelijks weghalen bij de moeder verandert hoe het brein wordt aangelegd.’ Inderdaad wordt regelmatig gevonden dat de hersenen van zulke dieren minder bedraad zijn. ‘We vonden dit effect in de hippocampus, belangrijk voor geheugen, en in de hersenschors in het voorhoofd, die een grote rol speelt in bij voorbeeld motivatie, gedrag en angst’, vertelt Brake.

Een tweede groep genen die anders tot uitdrukking komt, is betrokken bij de ontwikkeling van het dopaminesysteem. Dopamine is essentieel voor het ervaren van prettige gevoelens en speelt een cruciale rol bij verslaving. Mensen die met weinig ouderlijke warmte opgroeien, zijn op latere leeftijd vaker depressief of verslaafd.
‘Onze resultaten laten zien dat de vroege omgeving - in ieder geval de moeder-kind interactie - bepaalt in hoe verre genen tot uitdrukking komen, en wanneer ze dat doen. Voor zover je dit mag betrekken op mensen, suggereert het dat mensen met een moeilijke jeugd die depressief zijn of drugs gebruiken, dat niet doen omdat ze zich ongelukkig voelen over hun jeugd’, zegt Brake over deze gangbare veronderstelling. ‘Het lijkt er eerder op dat de jeugdervaring de expressie van genen heeft beïnvloed en daarmee de hersenontwikkeling.’ Het is dus geen softwareprobleem in de vorm van nare herinneringen, maar een hardwareprobleem: de hersenen zijn anders bekabeld.

‘Juist in de vroege jeugd is het brein heel gevoelig voor invloeden’

‘Juist in de vroege jeugd, als het brein wordt aangelegd, is het heel gevoelig voor invloeden.’
In een volgende stap willen McEwen en Brake bij muizen verdachte genen aan- en uitzetten, en tegelijkertijd de leefomstandigheden variëren. Ze hopen zo te ontdekken welke combinaties van genen en omgeving tot psychiatrische ziekten leiden, en vooral hoe.

Sterke zorgneigingen
Emma Spreekmeester en collega’s uit de groep van Michael Meaney van de McGill University (Montreal, Canada) visten verder naar de invloed van moederzorg op genieten. Weinig ouderzorg is namelijk een van de risicofactoren bij depressie, en depressieve patiënten ervaren geen positieve gevoelens. Zij genieten dan ook niet van eten, en vallen meestal af - al komt overeten ook voor.
BabybreinDe onderzoekers uit de groep van Meaney haalden de jonge ratjes niet dagelijks weg bij hun moeder, maar maakten gebruik van de natuurlijke variatie in moederzorg. Net als bij mensen hebben sommige rattenmoeders nu eenmaal sterkere zorgneigingen dan andere. Ze likten en verzorgen hun jongen meer en raken hen vaker aan.
Spreekmeester gaf de dochters van beide typen moeders de keuze uit gewoon water en water met een beetje suiker ‘Normaal drinken ratten liever zoet water en gaan zelfs meer drinken als ze de kans krijgen’, zegt Spreekmeester Dat klopte inderdaad voor negentig procent van de vertroetelde dochters. ‘Maar het ging niet op voor de ratten die het met minder zorg hadden moeten doen. Zij geven geen voorkeur aan de suikeroplossing. Sterker nog, na chronische stress neemt de suiker inname van deze ratten nog verder af. Terwijl de dochters van veel- zorgmoeders er niet meer of minder om dronken.’ De basistoestand van de twee groepen was dus al anders, en alleen de dochters van matig moederende moeders veranderden hun gedrag onder chronische stress.

Kim Hellemans bekijkt aan de Queens University in de Canadese staat Ontario andere veranderingen in de vroege jeugd: ‘Bij gewone dingen als eten, drinken en tijdens eenvoudige tests zie je weinig verschil. Maar geef je de ratjes een moeilijke taak die veel van ze vraagt of zet je de dieren op een andere manier onder druk, dan wordt het verschil duidelijk.’
De veranderingen zijn een natuurlijke aanpassing aan gevaar; een verhoogde staat van paraatheid vergroot de overlevingskans in gevaarlijke omstandigheden. Deze aanpassing komt vooral van pas als de omgeving werkelijk riskant is, maar een pasgeborene die weinig steun ontvangt, ervaart een normale omgeving ook al als enger Gebrek aan ouder liefde is bovendien een stressfactor op zich.
Hoe nuttig deze aanpassing evolutionair gezien ook mag zijn, de prijs is hoog. Uit verschillende onderzoeken die deze maand worden besproken in een metastudie in het Psychological Bulletin blijkt dat (mensen)kinderen die thuis weinig warmte, steun en aandacht ervaren, later meer geestelijke en lichamelijke problemen hebben en sneller verouderen. Het gaat daarbij net zo goed om de relatie met de vader als die met de moeder.
Al is de moeder vaak belangrijker, omdat zij een groter deel van de opvoeding op zich neemt, de vader kan een even grote rol of soms zelfs grotere rol spelen. Dit in tegenstelling tot de meeste knaagdiersoorten, inclusief de muizen en ratten in de moederzorgstudies. Bij hen staat de moeder er alléén voor en beperkt de rol van de vader zich tot die van zaad leverancier. Daarna is hij in geen velden of wegen te bekennen en mocht hij toch een (eigen) jong tegen het lijf lopen, dan bijt hij het eerder dood dan dat hij het beschermt.

Spannend speelgoed
Hoe verstrekkend de gevolgen ook kunnen zijn, ‘een slechte relatie met je ouders is nog niet het einde van de wereld’, volgens Tim Bredy van de MeGill University, die compenserende factoren onderzoekt bij de zonen van sterk versus zwak moederende ratten.
Zoals verwacht hebben de schaars bemoederde zonen een kleinere hippocampus, leren trager, onthouden minder en zijn gevoeliger voor stress. Brengen ze echter hun verdere jeugd met leeftijdgenoten door in een spannend kooiennetwerk met steeds weer ander speelgoed, dan verdwijnt het verschil. Ze zijn dan even slim als de jongen van zeer zorgzame moeders.
Bredy zag dit bevestigd op het niveau van hersencellen: minder moederzorg betekende minder contacten tussen de hersencellen, maar een verrijkte omgeving maakte dit verschil ongedaan. Toen Bredy echter nauwkeurig naar de mechanismen in de hersenen keek, ontdekte hij dat door matige moederzorg een klein gebied in de hippocampus wel was aangedaan: zowel het hersengebiedje zelf als een bepaald type ontvangstplaats voor signaalstoffen die belangrijk zijn voor leren. Deze achteruitgang kon niet worden hersteld door een interessante omgeving.
De onderzoekers vonden daarentegen wel een inhaalslag in een ander type ontvangstplaats. ‘Een interessante omgeving heft de achterstand dus niet op, maar zorgt waarschijnlijk voor compensatie. Via een ander systeem en in andere hersengebieden’, aldus Bredy tijdens het neuronwetenschappelijk congres.

De sporen blijven in de hersenen aanwezig. Vaak niet alleen voor de eerste generatie maar ook voor de volgende, want veel negatieve factoren hebben een slepend effect. Een voorbeeld hiervan is dat dochters die zelf weinig moederzorg ontvangen, later hun eigen nest minder bemoederen. Het zorggedrag van een vrouwtje heeft dus nog invloed op haar kleinkinderen.
Dat de effecten van moederzorg generaties later nog meetbaar zijn, valt niet af te schuiven op een genetisch verankerde familiaire aanleg om te moederen. Onderzoekers als de Canadese Meaney namen de proef op de som en lieten dochters van minder zorgzame moeders opvoeden door extra zorgzame pleegmoeders. Deze dochters werden later zelf ook goede moeders.